ECLI:NL:RBZWB:2022:5931
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding wegens te late beslissing in herstelregeling kinderopvangtoeslag
Verzoekster stelde de Belastingdienst op 2 juni 2022 in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op haar verzoek van 7 december 2021 om vergoeding van werkelijke schade in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. Nadat verzoekster beroep instelde tegen het uitblijven van een beslissing, besloot de Belastingdienst alsnog op 6 juli 2022. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst niet tijdig had beslist, wat een schending van de wettelijke beslistermijn uit artikel 49d, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen inhoudt. Gezien de omstandigheden en jurisprudentie werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 379,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 voor de lichte aard van de zaak en een puntwaarde van € 759,- voor de bijstand door een gemachtigde. Tevens wees de rechtbank erop dat de Belastingdienst het betaalde griffierecht van € 50,- moet vergoeden aan verzoekster.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.P. Broeders en griffier M.R. Jouvenaar op 12 oktober 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten van € 379,50 wegens te late beslissing.