ECLI:NL:RBZWB:2022:6055

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 oktober 2022
Publicatiedatum
19 oktober 2022
Zaaknummer
AWB- 22_4115
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 WajongArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar Wajong-uitkering

Eiser stelde beroep in omdat verweerder niet tijdig had beslist op zijn bezwaar tegen een eerdere afwijzing van zijn Wajong-uitkering. Het bezwaar was ingediend op 7 januari 2022, met een beslistermijn die uiterlijk op 6 juli 2022 moest verlopen. Verweerder stelde de termijn eenmaal uit met zes weken, maar bleef daarna in gebreke. Eiser stelde verweerder op 15 juli 2022 in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.

De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn had beslist. Verweerder gaf aan dat door een tekort aan verzekeringsartsen een hoorzitting noodzakelijk was voor een zorgvuldige heroverweging, gepland in december 2022 of januari 2023, met een beslissing in het eerste kwartaal van 2023. De rechtbank vond deze termijn te ruim en stelde een uiterste beslistermijn vast op 13 februari 2023.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag overschrijding na deze termijn. Tevens stelde de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442 en bepaalde dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €50 moest vergoeden. De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en droeg verweerder op alsnog tijdig een besluit te nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4115

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 7 januari 2022 tegen het besluit van 15 december 2021 betreffende een eerdere afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
Het bestuursorgaan beslist op het onderhavige bezwaar binnen zeventien weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikel 6:3 van Pro de Wajong). Het bezwaarschrift tegen het besluit van 15 december 2021 is bij verweerder ingediend op 7 januari 2022. Verweerder heeft de beslistermijn met toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb verdaagd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 6 juli 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Eiser heeft verweerder op 15 juli 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Het beroep is kennelijk gegrond.
Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven.
In het verweerschrift van 7 september 2022 heeft verweerder aangegeven dat er vanwege een tekort aan verzekeringsartsen een achterstand is opgelopen met het inplannen van de hoorzittingen. Voor een zorgvuldige heroverweging dient er een fysieke hoorzitting met de verzekeringsarts plaats te vinden. Verweerder verwacht de hoorzitting in december 2022 of januari 2023 te kunnen inplannen, waarna in het eerste kwartaal van 2023 een beslissing op het bezwaar genomen kan worden.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Indien de rechtbank vast zou houden aan de termijn van twee weken, is het op voorhand al duidelijk dat deze termijn niet gehaald gaat worden. Daarnaast acht de rechtbank in dit geval een langere termijn dan twee weken aangewezen vanwege het belang van de zorgvuldige heroverweging. De rechtbank is echter van oordeel dat de verwachting van verweerder om in het eerste kwartaal van 2023 een beslissing op bezwaar te kunnen nemen te ruim geformuleerd is. De rechtbank gaat er bij het bepalen van de termijn vanuit dat verweerder in december 2022 een hoorzitting kan inplannen. De rechtbank bepaalt dan ook dan verweerder uiterlijk 13 februari 2023 een beslissing op het bezwaar dient te nemen.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Eiser heeft ook verzocht om de dwangsom van artikel 4:17 van Pro de Awb vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. Dat staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 15 juli 2022 bij verweerder is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 13 februari 2023 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 14 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.