Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam dochter], uit [woonplaats] , eiser,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 augustus 2021 waarin zijn aanvraag voor ondersteuning bij verhuizing naar een meer geschikte woning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 werd afgewezen. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist.
Eiser stelde verweerder op 1 maart 2022 in gebreke, waarna hij binnen de wettelijke termijn beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet te laat is ingediend en verklaart het gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Ook stelt de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de gemeente Breda op binnen twee weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom en vergoeding van kosten.