Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
2011Voordat verder wordt ingegaan op de telefoonhandel als (legale) inkomstenbron stelt de rechtbank vast dat [verdachte] bij de politie geen verklaring heeft gegeven voor de eerder aangehaalde contante stortingen in 2011. Op zitting evenmin. Ook niet voor de stortingen tijdens zijn detentie van 6 januari 2011 tot 13 april 2011. Dit betekent dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat die betreffende geldbedragen geen legale herkomst hebben. Dat geldt ook voor de bedragen die [medeverdachte] daarnaast nog contant van [verdachte] heeft gekregen voor de boodschappen.
Telefoonhandel als (legale) inkomstenbron voor overige deel pleegperiode?Telefoonhandel als inkomstenbron op zich is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk gebleken. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte] op 28 juni 2016 zijn niet alleen nieuwe BlackBerry’s gevonden, maar ook een papiertje met inkoopprijzen van nieuwe telefoons en een paar emailadressen die bedoeld zijn om het encrypted mailprogramma te kunnen ophalen en installeren. Het aantreffen van voornoemde goederen op 28 juni 2016 vormt echter geen verificatie voor de verklaring van [verdachte] dat hij vanaf 2012 inkomsten uit die telefoonhandel heeft gehad die het vermoeden van witwassen weerleggen. Dat wordt niet anders door de verklaring van digitaal rechercheur [naam] als getuige bij de rechter-commissaris. Hij heeft slechts over de in- en verkoopprijzen en betaalwijze in de handel in PGP-telefoons verklaard. Dat die verklaring aansluit bij wat [verdachte] daarover heeft verklaard zegt niets over de periode waarin [verdachte] (legale) inkomsten uit de telefoonhandel zou hebben verkregen. Daarom mag van [verdachte] verwacht worden dat hij een of meer aanknopingspunten biedt om zijn verklaring te kunnen verifiëren dat hij al vanaf 2012 inkomsten had uit de telefoonhandel.
De rechtbank concludeert dat onderzoek van de enige door [verdachte] geboden verificatiemogelijkheid - het horen van [leverancier] - geen enkele aanwijzing heeft opgeleverd voor (legale inkomsten uit) telefoonhandel door [verdachte] in 2012 en 2013. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat ook voor de jaren 2012 en 2013 geen andere conclusie mogelijk is dan dat de gestorte geldbedragen en het contante geld voor de boodschappen geen legale herkomst hebben.
op 28 juni 2016 te Etten-Leur opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;