De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van een vrouw tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een man. De vrouw stelde dat zij enkel met deze man seksueel contact had gehad tijdens het conceptietijdvak van het kind. De man werd meerdere malen in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren of mee te werken aan een DNA-onderzoek, maar hij verscheen niet bij zittingen en reageerde niet op oproepen.
Ondanks pogingen van de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming om contact te leggen, ontkende de man het kind te kennen en weigerde hij medewerking aan het DNA-onderzoek. De rechtbank concludeerde dat de man voldoende gelegenheid had gekregen om zijn stelling te weerleggen, maar dit niet heeft gedaan. Hierdoor bleef de stelling van de vrouw dat de man de biologische vader is, onbeantwoord en werd het vaderschap vastgesteld.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de man tot betaling van de kosten van het DNA-onderzoek, ondanks dat het onderzoek niet kon plaatsvinden vanwege zijn weigering. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden beëindigd nu het vaderschap was vastgesteld. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 18 oktober 2022.