Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015, opgelegd door de inspecteur. De inspecteur vernietigde de aanslag en de belastingrentebeschikking, maar wees een verzoek om kostenvergoeding af omdat geen onrechtmatigheid aan zijn zijde was vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat de inspecteur voorafgaand aan de navordering meerdere keren om bewijsstukken had gevraagd, maar de gemachtigde slechts een enkele keer reageerde zonder bewijs te leveren. Pas in de bezwaarfase werden stukken overgelegd, waarna de aanslag werd vernietigd op basis van het correctiebeleid. Dit betekent dat de vernietiging niet het gevolg was van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
Belanghebbende voerde verder aan dat het handelen van de inspecteur over 2014 vertrouwen had gewekt dat er geen navordering over 2015 zou volgen, maar dit werd verworpen wegens gebrek aan beschermenswaardig vertrouwen. Ook werd een verzoek om vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn afgewezen, omdat de termijn niet was overschreden volgens de Hoge Raad.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor belanghebbende geen kostenvergoeding of griffierecht terugkrijgt.