Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 1 juli 2020 werd in een loods op het terrein van verdachte een cocaïnewasserij aangetroffen. Verdachte was eigenaar en verhuurder van deze loods. De officier van justitie beschuldigde verdachte van medeplichtigheid aan de productie van harddrugs door het ter beschikking stellen van de loods. Verdachte ontkende kennis te hebben gehad van de illegale activiteiten.
De rechtbank onderzocht het dossier, waaronder verklaringen, huurcontracten, EncroChatberichten en politieonderzoek. Hoewel er aanwijzingen waren die op betrokkenheid konden duiden, zoals wisselende verklaringen en onduidelijkheden over het huurcontract, ontbrak het aan concreet bewijs dat verdachte wist of had moeten weten van de cocaïnewasserij.
Verdachte had het huurcontract via een tussenpersoon laten opstellen, huurbetalingen via bankoverschrijving ontvangen en een brandveiligheidsinspectie laten uitvoeren terwijl de cocaïnewasserij aanwezig was. Ook gaf verdachte openheid over het opruimen van kartonpulp, een restproduct van de productie. De chats toonden juist pogingen om verdachte buiten kennis te houden.
Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van medeplichtigheid en voorbereidingshandelingen met betrekking tot de cocaïnewasserij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en betrokkenheid bij de cocaïnewasserij.