Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
[accountnaam 1] , [accountnaam 2] en [accountnaam 3]. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte zelf met een account heeft deelgenomen aan deze gesprekken. De rechtbank is echter wel van oordeel dat uit de gesprekken volgt dat er over verdachte wordt gesproken, dat de inhoud van deze gesprekken ziet op de situatie ter plaatse en de betrokkenheid van verdachte. Zo gaat het bijvoorbeeld over “ [omschrijving] ’’ en “ [Voorletter] ’’. Uit de gesprekken volgt echter niet alleen dat er over verdachte wordt gesproken, maar ook dat er contact is geweest tussen verdachte en de personen die via EncroChat met elkaar spreken. Zo stuurt
[accountnaam 3]op 2 april 2020 dat hij met “ [Voorletter] ’’ zit en dat deze een boete heeft van 8k van de gemeente, dat [Voorletter] zegt tegen hem dat hij het heeft verhuurd, dat er een BOA is geweest die slangen heeft gezien en dat [Voorletter] 50 k schadevergoeding wil. Dit komt allemaal overeen met verdachte zelf, de zaak van verdachte, of zijn perceel. Verdachtes voornaam begint met een [Voorletter] , hij woont in [woonplaats] op een erf, hij heeft een boete van bijna 8000 euro ontvangen van de gemeente en er is hem een dwangsom van € 50.000,- opgelegd voor een volgende overtreding. Ook er is bij hem meerdere keren een BOA op het terrein geweest, waarbij op 23 januari 2020 door een BOA de slangen zijn gezien. Daarbij komt dat [accountnaam 3] spreekt over het feit dat [Voorletter] tegen hem zou hebben gezegd dat
als ze bij die vrouw komen die de mercedes op naam heeft gezet dat er 2 hollandse mannen die auto hebben opgehaald bij [Voorletter] . Dan klopt zijn verhaal zegt hij.Verdachte heeft onder meer verklaard dat er twee mannen bij hem in de zaak zijn gekomen in verband met een verkoop van een auto, waarvan is gebleken dat deze op naam is gezet van een vrouw.
te Putten een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tot het plegen van welk misdrijf verdachte, in
de periode van 6 januari 2020 tot en met 20 maart 2020 te Putten,
opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die personen een deel van voornoemd pand voor het vervaardigen van cocaïne te laten huren;
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
een taakstraf van 240 uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen;
een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.