Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om haar bijstandsuitkering in te trekken omdat zij geen geldige verblijfsvergunning had en niet de gevraagde bankafschriften en bewijsstukken over buitenlandse bezittingen had verstrekt.
Het college had de uitkering opgeschort en verzoekster meerdere malen in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken in te leveren, maar zij leverde deze niet volledig aan. Verzoekster stelde dat zij niet beschikte over buitenlandse bankrekeningen en dat de genoemde rekening niet meer bestond, en dat het geld op die rekening bestemd was voor haar ex-partner.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een acute financiële noodsituatie die een voorlopige voorziening zou rechtvaardigen. Ook was niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig was. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.