ECLI:NL:RBZWB:2022:6410

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 maart 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
21-017110
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 535 SvArt. 552a SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand na teruggave inbeslaggenomen goederen

Verzoeker diende een verzoekschrift in op grond van artikel 530 Wetboek Pro van Strafvordering tot vergoeding van kosten rechtsbijstand die hij maakte in verband met een klaagschriftprocedure die leidde tot teruggave van zijn inbeslaggenomen laptop.

De officier van justitie betwistte de vergoeding omdat onvoldoende onderbouwd zou zijn dat de kosten uitsluitend verband hielden met het klaagschrift en het verzoek, en stelde dat de teruggave ook zonder klaagschrift zou zijn toegekend. De advocaat van verzoeker voerde aan dat er voorafgaand aan het klaagschrift contact was gezocht met de recherche zonder resultaat en dat alle gedeclareerde tijd aan de inbeslaggenomen goederen was besteed.

De rechtbank oordeelde dat het standpunt van het OM geen steun vindt in het recht en dat de gevorderde kosten voldoende zijn onderbouwd en niet onbillijk zijn. Daarom werd een vergoeding van € 774,45 toegekend voor de kosten rechtsbijstand en € 680,00 als forfaitaire vergoeding voor het verzoekschrift, in totaal € 1.454,45.

De beslissing is genomen door rechter J.C.A.M. Los en uitgesproken op 29 maart 2022. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en forfaitaire vergoeding wordt toegewezen voor in totaal € 1.454,45.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-218637-21
rk-nummer: 21-017110
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 8 november 2021, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. P. van de Kerkhof, Tivolistraat 30 te 5017 HR Tilburg
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 774,45, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de beslissing tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen van 18 oktober 2021;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 15 maart 2022 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, en mr. P. van de Kerkof als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat het door hem ingediende klaagschrift ex artikel 552a Sv heeft geleid tot de beslissing van het Openbaar Ministerie tot teruggave van het inbeslaggenomen goed, waarna het klaagschrift is ingetrokken. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand moeten maken in het kader van deze klaagschriftprocedure en stelt zich op het standpunt dat, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1056), ook in het geval dat een klaagschrift heeft geleid tot een beslissing van de officier van justitie tot teruggave, de kosten voor rechtsbijstand die in dit kader zijn gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen. Verzocht wordt dan ook om aan hem een vergoeding van € 774,45 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand dient te worden afgewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de gevorderde kosten uitsluitend zijn gemaakt in het kader van het verzoek en het klaagschrift. Daarbij is opgemerkt dat het Openbaar Ministerie voor de ontvangst van het klaagschrift nimmer een verzoek tot teruggave heeft mogen ontvangen. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat hij, indien het verzoek tot teruggave tot hen was gekomen voordat een klaagschrift was ingediend, direct tot teruggave zou hebben beslist. De forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen.
In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het ingediende verzoekschrift. In reactie op het standpunt van de officier van justitie heeft de advocaat aangevoerd dat hij, voordat hij is overgegaan tot het indienen van een klaagschrift, veelvuldig contact met de recherche heeft gezocht om de laptop van verzoeker terug te krijgen. Verzoeker had zijn laptop nodig voor zijn werkzaamheden als producent. Het contact met de recherche heeft niet tot teruggave geleid, waarna een klaagschrift is ingediend. In de praktijk wordt contact gezocht met de recherche waar het onderzoek loopt en niet met het Openbaar Ministerie omdat daar vaak nog geen stukken van de zaak voorhanden zijn. Als het Openbaar Ministerie van oordeel was dat er kennelijk geen belang bestond bij het handhaven van het beslag had het direct uit zichzelf over dienen te gaan tot teruggave. Daarnaast heeft de advocaat aangevoerd dat alle gedeclareerde tijd is besteed aan de inbeslaggenomen goederen. De gedeclareerde tijd op 22 en 23 oktober 2021 ziet ook op de klaagschriftprocedure, namelijk op de intrekking van het klaagschrift, contact met verzoeker en het afsluiten van het dossier. De advocaat stelt zich op het standpunt dat de gedeclareerde tijd niet bovenmatig is.
De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het standpunt van de officier van justitie dat de advocaat zich eerst middels een “informeel” verzoek had dienen te richten tot het Openbaar Ministerie vindt geen steun in het recht. Bovendien heeft advocaat gemotiveerd betoogd dat hij een dergelijk verzoek bij de recherche heeft ingediend voordat hij tot indiening van een klaagschrift is overgegaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van
€ 774,45in voldoende mate is onderbouwd. Het bedrag komt de rechtbank niet onbillijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 1.454,45, bestaande uit:
- € 774,45 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 1.454,45zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [betalingskenmerk] ”.
Deze beslissing is op 29 maart 2022 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv Pro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).