ECLI:NL:RBZWB:2022:6512
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- van Oijen
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd tot toevertrouwing minderjarige in internationaal kort geding
In deze zaak vordert de man bij kort geding de toevertrouwing van zijn minderjarige kind, dat in Oostenrijk verblijft, aan hem toe te wijzen met verblijf in Nederland. Tevens vordert hij onder meer toestemming voor inschrijving op een Nederlandse school en afgifte van documenten.
De vrouw betwist de bevoegdheid van de Nederlandse voorzieningenrechter omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Oostenrijk heeft. De voorzieningenrechter onderzoekt ambtshalve de internationale bevoegdheid aan de hand van de Verordening Brussel II-ter, die sinds 1 augustus 2022 geldt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het kind op het moment van aanhangig maken van de procedure zijn gewone verblijfplaats in Oostenrijk had, waar het ook ingeschreven staat. De Nederlandse rechter is daarom internationaal onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. Ook het beroep op spoedeisende bevoegdheid faalt omdat het kind zich niet in Nederland bevindt.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens onbevoegdheid en compenseert de kosten zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid van Cross Border mediation besproken, waar partijen mee instemmen om tot afspraken te komen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en wijst de vorderingen af, waarbij ieder de eigen kosten draagt.