Veroordeelde werd op 12 oktober 2021 veroordeeld wegens vernieling, beschadiging en wederrechtelijk binnendringen en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Op 19 oktober 2021 werd een bevel gegeven tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, waarna op 22 november 2021 DNA-materiaal werd afgenomen.
Veroordeelde stelde dat de afname niet volgens de wettelijke voorschriften had plaatsgevonden en beriep zich op een uitzonderingsgrond omdat hij ten tijde van het strafbare feit in een drugspsychose verkeerde en sindsdien abstinent is. Hij voerde aan dat de DNA-bepaling een onevenredige inbreuk op zijn privacy vormt en geen meerwaarde biedt.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift formeel ontvankelijk was en dat aan de wettelijke vereisten voor afname was voldaan. De uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, is strikt en beperkt toepasbaar. Veroordeelde kon niet aannemelijk maken dat de omstandigheden uitzonderlijk waren en dat DNA-onderzoek niet van belang zou zijn voor opsporing of vervolging.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.