ECLI:NL:RBZWB:2022:6553
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2019 is vastgesteld op € 292.000. Tegen deze waardebepaling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar is afgewezen. Belanghebbende vordert vermindering van de waarde naar € 254.000, stellende dat onvoldoende rekening is gehouden met gedateerde voorzieningen en ligging.
De rechtbank beoordeelt de taxatie en de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar heeft gebruikt. De rechtbank acht het meest vergelijkbare object een woning in dezelfde straat, die recentelijk voor € 345.000 is verkocht en waarvan de verschillen in omvang, kwaliteit en ligging door de heffingsambtenaar adequaat zijn verdisconteerd. De rechtbank verwerpt het betoog over andere KOUDV-factoren in beroep en concludeert dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Daarnaast stelt belanghebbende aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. De rechtbank constateert een termijnoverschrijding van acht maanden en kent een vergoeding van € 1.000 toe. Omdat de overschrijding aan de rechtbank is toe te rekenen, wordt de Minister veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding, proceskosten van € 759 en het griffierecht van € 48.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn en de daarmee samenhangende proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.