ECLI:NL:RBZWB:2022:6587

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
21-015192
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 535 lid 1 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels toekenning schadevergoeding ex artikel 530 Sv na sepot strafzaak

Verzoeker diende een verzoekschrift in op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding van kosten rechtsbijstand, reiskosten en kosten voor het opstellen van het verzoekschrift, nadat de strafzaak tegen hem op 26 juli 2021 was geseponeerd.

De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de gevraagde reiskosten voor het verhoor niet onder artikel 530 Sv Pro vallen en dat de vergoeding voor rechtsbijstand onredelijk hoog was gezien de omvang van het dossier. Tijdens de raadkamerzitting werd dit standpunt bevestigd en de advocaat van verzoeker hield vast aan het oorspronkelijke verzoek.

De rechtbank oordeelde dat de gevraagde vergoeding voor rechtsbijstand bovenmatig was en matigde deze tot een billijk bedrag van € 4.286,64. De reiskosten voor het politiebureau werden afgewezen, maar de reiskosten voor het bijwonen van de zitting werden deels toegekend (€ 12,80). Daarnaast werd een forfaitaire vergoeding van € 680,00 toegekend voor de kosten van het verzoekschrift.

De totale toegekende schadevergoeding bedraagt € 4.979,44, welke zal worden overgemaakt aan de gemachtigde advocaat. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank kent een gedeeltelijke schadevergoeding toe van € 4.979,44 aan verzoeker na sepot van de strafzaak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/195484-20
rk-nummer: 21-015192
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 5 oktober 2021, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.C.H. Pronk, Regentesselaan 4, 7316 AC Apeldoorn
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 7.848,88, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 26,26, voor vergoeding van reiskosten;
  • te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 26 juli 2021;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 11 maart 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J. Castelein en mr. J.C.H. Pronk als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak op 26 juli 2021 is geseponeerd. Verzoeker heeft kosten rechtsbijstand moeten maken ter hoogte van € 7.848,88. Daarbij heeft verzoeker reiskosten moeten maken ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak ter hoogte van € 26,26. Voorts vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten in verband met het verhoor op het politiebureau niet onder de reikwijdte van artikel 530 Sv Pro valt. Daarbij dient de vergoeding voor de rechtskundige bijstand te worden afgewezen. Het verzochte bedrag is onredelijk hoog voor een dossier van 48 pagina’s. De verrichte werkzaamheden zijn onverklaarbaar en staan niet in verhouding met de aard van de zaak.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat hij begrijpt dat een strafzaak de nodige tijd met zich meebrengt, maar dat het dossier voor een groot deel uit foto’s bestaat. De officier van justitie acht de uren die zijn besteed aan de strafzaak bovenmatig. De officier van justitie acht een vergoeding van € 3.924,44 ten aanzien van de rechtskundige bijstand toewijsbaar.
In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Gelet op de aard en de omvang van de zaak en het aantal uren dat doorgaans met soortgelijke strafzaken is gemoeid, acht de rechtbank het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van
€ 7.848,88bovenmatig. Gelet op vorenstaande en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, zal de rechtbank op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van
€ 4.286,64toewijzen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van
€ 26,26verzocht voor reiskosten. De reiskosten van
€ 13,46die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van het reizen van en naar het politiebureau zal de rechtbank afwijzen. Deze kosten vallen buiten de reikwijdte van artikel 530 Sv Pro. De reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting, zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de verzochte reiskosten ter hoogte van
€ 12,80toe.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 4.979,44, bestaande uit:
- € 4.286,64 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 12,80 aan reiskosten;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 4.979,44zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden B&C Advocaten, onder vermelding van “D100567/JCHP”.
Deze beslissing is op 25 maart 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. de Kroon, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv Pro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).