Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, kentekenhouder van een handelaarskenteken, kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd over de periode van 3 maart 2019 tot 2 maart 2020, omdat een voertuig zonder geldige handelaarskentekenplaten op een parkeerplaats naast de openbare weg stond geparkeerd. Tevens werd een verzuimboete en een dwangsom opgelegd.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur niet alle relevante stukken had overgelegd en dat de boete onterecht was opgelegd, onder meer op grond van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de parkeerplaats feitelijk openbaar toegankelijk was en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen sprake was van ongelijke behandeling zonder objectieve rechtvaardiging.
De rechtbank verwierp ook het betoog dat het motiveringsbeginsel was geschonden en oordeelde dat de inspecteur voldoende had gemotiveerd. Ten aanzien van de dwangsom stelde de rechtbank vast dat de inspecteur de ingebrekestelling terecht had ontvangen op 23 september 2020, waardoor de berekening van de dwangsom correct was.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag, verzuimboete en dwangsom motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard.