Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was houder van een Mercedes-Benz waarvan het kenteken geschorst was van 31 december 2018 tot en met 31 december 2020. Op 2 maart 2020 werd geconstateerd dat de auto geparkeerd stond op een parkeervak naast de openbare weg, dat feitelijk openstond voor het openbaar verkeer. De inspecteur legde daarom een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting op over de periode van 6 maart 2019 tot en met 5 maart 2020, evenals een verzuimboete.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat de inspecteur niet alle relevante stukken had overgelegd en dat de boete onterecht was opgelegd, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de stukken voldoende had verstrekt en dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden. De boete was passend en geboden, aangezien niet was gebleken van afwezigheid van alle schuld.
Verder werd een dwangsom toegekend wegens overschrijding van de beslistermijn. De hoogte van de dwangsom werd vastgesteld op basis van de datum waarop de inspecteur de ingebrekestelling had ontvangen, waarbij de rechtbank het standpunt van de inspecteur volgde dat dit 23 september 2020 was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag, verzuimboete en dwangsom wordt ongegrond verklaard.