Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente verleende vergunninghouder een omgevingsvergunning voor het splitsen van een monumentaal pand. Eisers, wonend op het aangrenzende perceel, maakten bezwaar tegen deze vergunning. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de beroepsgronden van eisers, die onder meer stelden dat het college onterecht gebruik had gemaakt van een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid en dat niet voldaan werd aan artikel 12.5.4 van de planvoorschriften, met name het ontbreken van een goedgekeurd erfbeplantingsplan. De rechtbank concludeerde dat het college ten onrechte was afgeweken van de verplichting een dergelijk plan te eisen, wat het besluit gebrekkig maakt.
Andere bezwaren van eisers, zoals de vraag of het te splitsen pand als woning kwalificeert, de bijdrage aan behoud van cultuurhistorische waarden, de aantasting van belangen en het woon- en leefklimaat, en de parkeervoorzieningen, werden door de rechtbank ongegrond verklaard.
De rechtbank gaf het college op grond van de Awb de gelegenheid om het gebrek binnen zes weken te herstellen door alsnog een goedgekeurd erfbeplantingsplan aan de vergunning ten grondslag te leggen. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. Tegen deze tussenuitspraak staat geen direct hoger beroep open.