ECLI:NL:RBZWB:2022:6705

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 november 2022
Publicatiedatum
11 november 2022
Zaaknummer
AWB- 22_4938 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging persoonsgebonden budget

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van VGZ Zorgkantoor B.V. om zijn persoonsgebonden budget (pgb) per 1 augustus 2021 te beëindigen. Na ongegrondverklaring van dit bezwaar heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter toetst of er sprake is van een spoedeisend belang dat onmiddellijke voorziening vereist. Verzoeker stelt dat hij door het wegvallen van het pgb niet meer kan deelnemen aan activiteiten zoals zwemmen en voetballen, wat leidt tot woede-uitbarstingen en het ontbreken van structuur. Daarnaast is er sprake van financiële problemen binnen het gezin.

De rechter oordeelt dat de zorg voor verzoeker nagenoeg gelijk is gebleven omdat hij nog verzorgd wordt door zijn moeder en recht heeft op zorg via zorg in natura. Er is geen acute medische noodsituatie of onomkeerbare situatie aangetoond. Ook is onvoldoende onderbouwd dat zorg via andere zorgverleners niet passend is. Financiële nood is niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van het persoonsgebonden budget wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4938

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Harmanci),
en

VGZ Zorgkantoor B.V., verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 juni 2021 (primaire besluit) heeft verweerder het persoonsgebonden budget (pgb) van verzoeker met ingang van 1 augustus 2021 beëindigd.
In het besluit van 20 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter benadrukt dat de rechtspraak met betrekking tot het spoedeisend belang zeer strikt is. Er moet namelijk sprake zijn van een onomkeerbare situatie, zoals bijvoorbeeld een acute medische noodsituatie of acute financiële nood.
2. Desgevraagd is ter toelichting op het spoedeisend belang aangevoerd dat verzoeker sinds het stopzetten van het pgb bepaalde activiteiten niet meer kan doen, zoals zwemmen en voetballen. Doordat regelmaat en structuur zijn weggevallen, heeft verzoeker last van woede-uitbarstingen. Vanwege een terugval in de inkomsten van moeder is zij niet in staat de hypotheeklasten en andere vaste lasten te betalen. Tot op heden heeft de vader van verzoeker alles mede bekostigd, maar hij heeft daar nu geen mogelijkheid meer toe. Gesteld wordt dat moeder niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering of voor een WW-uitkering. De Wajong-uitkering van verzoeker is niet voldoende om alle kosten te dragen.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker wordt tot op heden verzorgd door zijn moeder. De zorg is dan ook nagenoeg hetzelfde gebleven als toen er nog wel een pgb was. Dat verzoeker niet meer kan zwemmen en voetballen en daardoor regelmaat/structuur mist en woede-uitbarstingen heeft, maakt niet dat sprake is van een acute medische noodsituatie. Niet gebleken is dat zijn gezondheid en veiligheid in het gedrang komen. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien dat verzoeker een Wlz-indicatie heeft en dus recht heeft op zorg. Zonder pgb kan verzoeker nog altijd zorg krijgen via zorg in natura (ZIN). Verzoeker heeft niet onderbouwd dat afnemen van ZIN voor hem niet mogelijk of passend is dan wel dat gezien verzoekers medische situatie van hem niet mag worden gevergd dat hij (tijdelijk) zorg bij andere zorgverleners afneemt. Ook in het bestreden besluit van 20 oktober 2021 wijst verweerder op het ontbreken van een onderbouwing op dit punt. Daarnaast blijkt uit de overgelegde bankafschriften niet dat sprake is van financiële nood door de beëindiging van het pgb.
4. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 10 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.