ECLI:NL:RBZWB:2022:6705
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging persoonsgebonden budget
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van VGZ Zorgkantoor B.V. om zijn persoonsgebonden budget (pgb) per 1 augustus 2021 te beëindigen. Na ongegrondverklaring van dit bezwaar heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter toetst of er sprake is van een spoedeisend belang dat onmiddellijke voorziening vereist. Verzoeker stelt dat hij door het wegvallen van het pgb niet meer kan deelnemen aan activiteiten zoals zwemmen en voetballen, wat leidt tot woede-uitbarstingen en het ontbreken van structuur. Daarnaast is er sprake van financiële problemen binnen het gezin.
De rechter oordeelt dat de zorg voor verzoeker nagenoeg gelijk is gebleven omdat hij nog verzorgd wordt door zijn moeder en recht heeft op zorg via zorg in natura. Er is geen acute medische noodsituatie of onomkeerbare situatie aangetoond. Ook is onvoldoende onderbouwd dat zorg via andere zorgverleners niet passend is. Financiële nood is niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van het persoonsgebonden budget wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.