Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor parkeren op 23 december 2020. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde de aanslag, waarbij een kostenvergoeding werd toegekend met een wegingsfactor 'zeer licht'.
Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank beoordeelde of de hoorplicht was geschonden en of de toegepaste wegingsfactor terecht was. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat de naheffingsaanslag was vernietigd en belanghebbende geen verdere inhoudelijke gronden had ingediend.
De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar terecht de wegingsfactor 'zeer licht' had toegepast, aangezien het bezwaar pro-forma was en slechts één niet nader onderbouwde grief bevatte. De rechtbank zag geen motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor belanghebbende het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond verklaard en de toegepaste wegingsfactor voor de kostenvergoeding bevestigd.