ECLI:NL:RBZWB:2022:681
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Versnelde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar inkomstenbelasting 2000 en 2001
Belanghebbende verzocht op 27 februari 2021 om intrekking van ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2000 en 2001, waarbij hij de bekendmaking van deze aanslagen betwistte. De inspecteur stelde het beroep op de dwangsomregeling af, omdat het verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Awb werd gezien. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd eveneens afgewezen.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek van 27 februari 2021. De rechtbank oordeelde dat het verzoek opgevat moet worden als een bezwaarschrift tegen de aanslagen en dat de inspecteur niet tijdig had beslist. De beroepen werden daarom gegrond verklaard.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur een maximale dwangsom van €1.442 verschuldigd is vanwege het niet tijdig beslissen, waarbij deze dwangsom eenmaal geldt voor beide jaren vanwege de samenhang. Tevens werd een termijn gesteld waarbinnen alsnog uitspraak op bezwaar moet worden gedaan, met een nadere dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, tot een maximum van €15.000.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €379,50, en in de vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 11 februari 2022.
Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt gegrond verklaard en de inspecteur wordt veroordeeld tot het betalen van een dwangsom en het alsnog doen van uitspraak op bezwaar.