Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die was opgelegd voor het parkeren op een bepaalde datum en locatie. De heffingsambtenaar stelde na onderzoek vast dat de auto van belanghebbende niet op die locatie stond en vernietigde de naheffingsaanslag, waarbij een kostenvergoeding voor de bezwaarfase werd toegekend met een wegingsfactor zeer licht.
Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing, waarbij de rechtbank heeft beoordeeld of de hoorplicht was geschonden en of de toegepaste wegingsfactor terecht was. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat de heffingsambtenaar het bezwaar volledig had ingewilligd en dat de wegingsfactor zeer licht passend was gezien het pro-forma karakter van het bezwaarschrift.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat belanghebbende geen recht heeft op terugbetaling van het griffierecht of een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten en griffier L.M. de Leeuw van Weenen op 15 november 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de toegepaste wegingsfactor zeer licht voor de kostenvergoeding bevestigd.