Veroordeelde, een minderjarige geboren in 2002, werd door de kinderrechter veroordeeld tot een werkstraf van 20 uren wegens schuldwitwassen. Op 14 december 2021 werd onder hem celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek en opgenomen in de databanken. Veroordeelde stelde dat het DNA-onderzoek niet van betekenis is voor de opsporing van strafbare feiten, omdat het een jeugdkwestie betreft met een laag recidiverisico.
De officier van justitie stelde dat het bezwaarschrift ongegrond moest worden verklaard, omdat het uitgangspunt is dat bij elke veroordeelde DNA wordt afgenomen, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn. De rechtbank beoordeelde dat de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van toepassing is, omdat het misdrijf digitaal schuldwitwassen betreft waarbij DNA-onderzoek niet relevant is.
De rechtbank nam mee dat veroordeelde minderjarig was ten tijde van het delict, dat het recidiverisico laag is volgens de Raad voor de Kinderbescherming, en dat de opgelegde straf gering was. Er waren geen nieuwe feiten op het strafblad. Daarom is het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis voor opsporing en berechting. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift gegrond en beval vernietiging van het celmateriaal. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel open.