Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2022:6833

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
22-001913
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 67 SvArt. 2 onder c OpiumwetArt. 12 lid 1 Wet Wapens en Munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen DNA-profielbepaling ongegrond verklaard

De veroordeelde, veroordeeld voor mishandeling, overtreding van de Opiumwet en Wet Wapens en Munitie, maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij stelde dat vanwege zijn minderjarige leeftijd ten tijde van het delict, het ontbreken van recidivegevaar en de aard van het misdrijf het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.

De rechtbank overwoog dat het misdrijf voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat de aard van de misdrijven (overtredingen van de Opiumwet en Wet Wapens en Munitie) het bepalen van het DNA-profiel relevant maakt. Daarnaast werd het advies van de Raad voor de Kinderbescherming betrokken, waaruit bleek dat er sprake is van een hoog recidiverisico.

De rechtbank concludeerde dat geen uitzonderingssituatie aanwezig is die het bezwaar zou rechtvaardigen. Het bezwaarschrift werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02/272032-21
raadkamernummer : 22-001913
datum : 8 april 2022
beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[de veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.J.J. van Rijsbergen advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 31 januari 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 8 april 2022 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de waarnemend advocaat, mr. A. Tönis, en de officier van justitie, mr. H.E. de Haze, op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Namens veroordeelde is in het bezwaarschrift aangevoerd dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 onder Pro b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.
In aanvulling op het bezwaarschrift is in raadkamer namens veroordeelde aangevoerd dat er geen sprake is van recidivegevaar nu veroordeelde ten tijde van het plegen van het delict first offender was en veroordeelde nadien niet meer met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Veroordeelde is als minderjarige veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 70 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk. De werkstraf heeft veroordeelde reeds afgerond. Redenen waarom veroordeelde de rechtbank verzoekt het bezwaarschrift gegrond te verklaren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de aard van het misdrijf en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd is er geen sprake van een uitzondering volgens de Wet. Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat er verschillende risicofactoren aan de orde zijn, waaronder het gevaar op recidive.

Beoordeling

Bij vonnis van 9 december 2021 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van mishandeling, meerdere malen gepleegd, het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro c Opiumwet en het handelen in strijd met artikel 12 lid 1 Wet Pro Wapens en Munitie tot een werkstraf van 70 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor handelen in strijd met een in de Opiumwet en Wet Wapens en Munitie gegeven verbod.
Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal, gelet op de aard van de misdrijven waarbij in beginsel DNA-sporen kunnen worden achtergelaten, wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt, gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Hieruit blijkt immers dat er sprake is van een hoog recidiverisico, hetgeen ook in de strafmaat naar voren komt nu er een fors deel van de straf voorwaardelijk is opgelegd.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.J.H. Goossens, rechter,
in tegenwoordigheid van J. van ’t Westende en mr. A. Luijten, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.
De griffier J. van ’t Westende is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.