ECLI:NL:RBZWB:2022:6834
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-profielbepaling bij veroordeling voor valsheid in geschrifte ongegrond verklaard
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, omdat hij veroordeeld is voor het voorhanden hebben van een vervalst document. Hij stelde dat DNA-onderzoek bij dit misdrijf niet van betekenis kan zijn voor opsporing en vervolging, mede gezien zijn schone strafblad en het ontbreken van verdere contacten met justitie.
De officier van justitie betoogde dat valsheid in geschrifte wel degelijk een misdrijf is waarbij DNA-onderzoek van belang kan zijn, bijvoorbeeld bij stoffelijke objecten die bij het delict betrokken zijn. De rechtbank bevestigde dat het misdrijf voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat de wetgever het uitgangspunt hanteert dat bij iedere veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen, tenzij uitzonderingen gelden.
De rechtbank oordeelde dat de door de veroordeelde aangevoerde omstandigheden niet voldoende zijn om een uitzondering op de DNA-afname te rechtvaardigen. Er is geen objectief bewijs dat hij nooit eerder een relevant strafbaar feit heeft gepleegd of dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer kan plegen waarbij DNA-onderzoek van belang is.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigde zij het bevel tot DNA-afname. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname blijft van kracht.