Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2022:6838

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
21-017603
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 535 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens beleidssepot na ongeldig rijbewijs

Verzoeker diende een verzoekschrift in op grond van artikel 530 Sv Pro voor vergoeding van kosten rechtsbijstand en forfaitaire kosten na een strafrechtelijke vervolging die werd geseponeerd. De zaak betrof het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, waarbij verzoeker ontkende de bestuurder te zijn geweest. De officier van justitie stelde dat sprake was van een beleidssepot en dat verzoeker de verdenking aan zichzelf te wijten had, waardoor geen vergoeding zou moeten worden toegekend.

De rechtbank oordeelde dat de verdenking niet voldoende was toegelicht en dat verzoeker ontkende de bestuurder te zijn geweest, wat deels werd bevestigd door een getuige. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verzoeker de verdenking en de kosten van rechtsbijstand aan zichzelf te wijten had. De rechtbank achtte daarom gronden van billijkheid aanwezig om de gevraagde vergoeding toe te kennen.

De rechtbank kende € 300,00 toe voor kosten rechtsbijstand en € 680,00 voor de kosten van het verzoekschrift, totaal € 980,00. De beslissing werd genomen door rechter R.J.H. Goossens en uitgesproken op 22 april 2022. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en forfaitaire kosten toe voor een totaalbedrag van € 980,00.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 96/027540-17
rk-nummer: 21-017603
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 12 november 2021, in de zaak:
[verzoeker]geboren op [geboortedag] 1989,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. F.L.C. Schoolderman, Stationsweg 14, 5211 TW ’s-Hertogenbosch

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 300,00, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 16 augustus 2021;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 8 april 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. H.E. de Haze, en mr. Y. Ameziane als waarnemend, gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat hij bij bericht van 16 augustus 2021 is geseponeerd door de officier van justitie. Wegens deze strafrechtelijke vervolging heeft verzoeker kosten van rechtsbijstand moeten maken ter hoogte van € 300,00. Verzoeker vraagt de rechtbank de kosten rechtsbijstand alsmede de forfaitaire vergoeding inzake onderhavig verzoekschrift ter hoogte van € 680,00 te vergoeden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een zogenaamd beleidssepot. Verzoeker heeft de verdenking aan zichzelf te wijten gehad. Verbalisanten hebben verzoeker zien rijden in een personenauto terwijl hij in het bezit was van een ongeldig verklaard rijbewijs. De zaak is geseponeerd onder de sepotcode oud feit. Gelet op het voorgaande vindt de officier van justitie dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. De forfaitaire vergoeding dient tevens afgewezen te worden.
In raadkamer is namens verzoeker aangevoerd dat er geen sprake is van een zaak die onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid omdat verzoeker heeft ontkend het voertuig te hebben bestuurd.
Verzoeker acht het redelijk en billijk dat de kosten rechtsbijstand worden vergoed, nu hij de tegen hem gerezen verdenking niet aan zichzelf te wijten heeft gehad.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit het voor de raadkamer beschikbare dossier en het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat verbalisanten verzoeker hebben herkend als zijnde de bestuurder van het voertuig. Deze herkenning is echter niet nader geduid. Verdachte ontkent de bestuurder te zijn geweest, hetgeen (min of meer) door zijn vriendin als getuige wordt bevestigd. De zaak is vervolgens door de officier van justitie geseponeerd vanwege oud feit. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, niet vastgesteld kan worden dat verzoeker de tegen hem gerezen verdenking en de daarop volgende kosten van rechtsbijstand aan zichzelf te wijten heeft gehad. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de mogelijkheid bestaat dat niet verdachte, maar de vriendin van verdachte in het voertuig heeft gereden. Gelet hierop acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van
€ 300,00is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank niet onbillijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 980,00, bestaande uit:
- € 300,00 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 980,00zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Kuijpers & Nillesen Advocaten te ’s-Hertogenbosch onder vermelding van “ [betalingskenmerk] ”.
Deze beslissing is op 22 april 2022 gegeven door mr. R.J.H. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ’t Westende en mr. A. Luijten, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2022.
De griffier J. van ’t Westende is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv Pro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).