Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift ex artikelen 29f, 530 en 533 Sv;
- de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
- de correspondentie per e-mail van 19 en 20 april 2022.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker werd op 30 december 2021 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van mensenhandel. Hij diende een verzoekschrift in op grond van artikel 29f Sv om de strafzaak tegen hem te beëindigen, stellende dat de voorlopige hechtenis onrechtmatig was en dat de zaak geseponeerd zou zijn. Tevens verzocht hij om een schadevergoeding op grond van artikelen 530 en 533 Sv wegens immateriële schade door de inverzekeringstelling.
De officier van justitie stelde zich primair op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk was omdat het verzoekschrift niet door hem zelf was ondertekend. Subsidiair werd betoogd dat het verzoek op grond van artikel 29f Sv afgewezen moest worden omdat nog geen vervolgingsbeslissing was genomen en de zaak nog in onderzoek was.
De rechtbank oordeelde dat de wet geen vertegenwoordiging bij het indienen van verzoekschriften op grond van genoemde artikelen toestaat en dat het ontbreken van de handtekening van verzoeker niet is hersteld. Verzoeker was niet verschenen bij de raadkamer en heeft niet verklaard het verzoek als het zijne te beschouwen. Daarom werd hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoekschrift.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een door hemzelf ondertekend verzoekschrift.