De burgemeester legde op 31 januari 2022 een tijdelijk huisverbod op aan verzoeker voor de woning van zijn vriendin vanwege een vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor haar veiligheid. Verzoeker betwistte het huisverbod en stelde dat hij niet in de woning woonde en dat er geen gevaar was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker feitelijk gedeeltelijk in de woning woonde, gelet op verklaringen en gedragingen, en dat de burgemeester bevoegd was het huisverbod op te leggen. Uit verklaringen van de vriendin en een aanwezige getuige, alsmede vastgestelde verwondingen, bleek dat er een geweldsincident had plaatsgevonden.
Verzoeker ontkende het incident, maar zijn ontkenning woog minder zwaar dan de verklaringen en eerdere meldingen van agressie, het alcoholgebruik en politie-registraties. De rechter vond het huisverbod terecht en handhaafde het, mede omdat verzoeker geen hulpverlening wilde en het contactverbod uit de strafzaak het huisverbod niet verving.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling werden afgewezen.