Op 15 januari 2022 stichtte verdachte brand bij de woning van zijn moeder en stiefvader in Geersdijk, waarbij een auto en delen van de woning beschadigd raakten. Verdachte bekende het gebruik van benzine en open vuur, maar stelde dat het een ongeluk was. Getuigenverklaringen en bewijs overtuigden de rechtbank van opzet.
De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, omdat er niemand aanwezig was in de woning en dit ook niet voorzienbaar was. Wel was er sprake van gemeen gevaar voor goederen. Verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een psychotische stoornis, zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsproblematiek.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 308 dagen op met aftrek van voorarrest en een TBS-maatregel met dwangverpleging. Een zorgmachtiging werd als onvoldoende alternatief gezien vanwege de aard van de stoornis, het hoge recidiverisico en de noodzaak van langdurige en gedwongen behandeling in een forensische setting.
De beslissing berustte op de artikelen 37a, 37b en 157 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en benadrukte de ernst van het feit en de noodzaak van bescherming van de maatschappij.