ECLI:NL:RBZWB:2022:6900

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
02-800416-18
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende gedragsverandering

Veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 27 december 2018 veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid. Op 28 oktober 2021 is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder algemene en bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie verzocht op 7 oktober 2022 de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wegens het niet naleven van voorwaarden omtrent ambulante behandeling, begeleid wonen en meldplicht. De reclassering rapporteerde dat de behandeling bij Forensische Zorg Zeeland was stopgezet en dat veroordeelde geen openheid gaf, waardoor gedragsverandering moeilijk is.

Tijdens de zitting op 2 november 2022 werd de officier van justitie gehoord, evenals de veroordeelde en een reclasseringsdeskundige. De deskundige adviseerde afwijzing van de vordering om de kans op recidive te verkleinen, aangezien voortzetting van behandeling het beste is. Veroordeelde beloofde zich voortaan aan de voorwaarden te houden.

De rechtbank concludeerde dat er op dit moment geen belang is bij herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en wees de vordering af. De veroordeelde krijgt een laatste kans om zich aan de voorwaarden te houden, met de waarschuwing dat bij nieuwe overtredingen een nieuwe vordering kan worden ingediend.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af en geeft veroordeelde een laatste kans om zich aan de voorwaarden te houden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
Parketnummer: 02-800416-18
V.I.-zaaknummer: 99-000335-51
beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
in de zaak van de officier van justitie tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.De procesgang

Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van 27 december 2018 is veroordeelde wegens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar.
Op 28 oktober 2021 is veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder algemene en bijzondere voorwaarden. Op 7 oktober 2022 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: V.I.) omdat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden ten aanzien van de ambulante behandeling, het begeleid wonen en de meldplicht.
Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie van 8 oktober 2022, waarin hij verzoekt de V.I. te herroepen voor een periode van 609 dagen (het gehele strafrestant);
- een voortgangsverslag van de reclassering (niet voorzien van een datum, maar in ieder geval daterend uit 2022).
Tijdens het onderzoek ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 2 november 2022 is gehoord de officier van justitie mr. M.S. Kikkert. Ook is gehoord veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda. Als deskundige is gehoord [naam] , reclasseringsmedewerker.

2.Het advies van de reclassering

Uit het voortgangsverslag van de reclassering blijkt dat het, omdat de behandeling bij Forensische Zorg Zeeland (FZZ) is stopgezet en veroordeelde over een aantal zaken geen openheid geeft, onmogelijk is om in te zetten op gedragsverandering bij veroordeelde en zo recidive te voorkomen. Veroordeelde is meerdere malen op zijn gedrag en de mogelijke consequenties daarvan aangesproken, maar zijn gedrag is onveranderd gebleven. Op praktisch gebied heeft veroordeelde de zaken goed op orde, hij heeft een woning en werk.
Ter zitting heeft de deskundige hieraan toegevoegd dat voor het verkleinen van de kans op recidive voortzetting van behandeling het beste is. Er wordt op vertrouwd dat veroordeelde inmiddels het besef heeft dat hij medewerking moet verlenen aan de voorwaarden omdat anders alles wat hij heeft opgebouwd weer wegvalt. Als de vordering wordt toegewezen verkleint dat de kans op recidive in ieder geval niet, dan staat veroordeelde na het uitzitten van het strafrestant alsnog zonder begeleiding op straat.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in eerste instantie gevorderd dat de V.I. voor het strafrestant van 609 dagen wordt herroepen. Gelet op de verklaring van veroordeelde en het standpunt van de deskundige met betrekking tot het terugdringen van de kans op recidive, heeft de officier van justitie ter zitting verzocht de behandeling van de vordering aan te houden voor een periode van drie maanden. Over drie maanden kan dan worden bezien of er bij veroordeelde daadwerkelijk sprake is van gedragsverandering.

4.Het standpunt van de verdediging

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij de ernst van de consequenties van zijn gedrag niet heeft gerealiseerd. Hij realiseert zich nu dat hij het anders had moeten doen en belooft dat in de toekomst ook te zullen doen.
De verdediging heeft betoogd de vordering af te wijzen. Het voortgangsverslag van de reclassering dateert van juli 2022, de vordering van oktober 2022 en de zaak staat nu pas op zitting. Er heeft geen recidive plaatsgevonden en veroordeelde is bereid en gemotiveerd zich aan de voorwaarden te houden. De rechtbank is op dit moment voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen.

5.Het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 7 oktober 2022 is ontvangen en de grond bevat waarop zij berust.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de uitdrukkelijke belofte van veroordeelde zich voortaan te zullen houden aan de voorwaarden en het advies van de deskundige, dat ten behoeve van het verkleinen van de kans op recidive, veroordeelde nog een kans moet worden geboden. De rechtbank neemt dit advies over en is van oordeel dat er – op dit moment – geen belang wordt gediend met de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde. De rechtbank zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, en daarmee het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie, daarom afwijzen.
Daarbij overweegt de rechtbank dat het aan veroordeelde is om deze laatste kans te grijpen en zich in te spannen voor het nakomen van de voorwaarden. Daarbij hoort ook het bespreken van relaties en seksualiteit. Wanneer veroordeelde zich opnieuw niet aan de voorwaarden houdt kan de officier van justitie een nieuwe vordering tot herroeping van de V.I. indienen.

6.De beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, en daarmee het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie, af.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. A.L. Hoekstra en
mr. J.B. Uiterwijk, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier H.M. de Punder - van Dijk en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 november 2022.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.