ECLI:NL:RBZWB:2022:6903

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
AWB- 22_2353
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 49, negende lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten wegens te late beslissing kinderopvangtoeslag

Verzoekster heeft de Belastingdienst op 9 februari 2022 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op haar verzoek van 2 januari 2020 om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Na ontvangst van de ingebrekestelling op 10 februari 2022, heeft verzoekster op 29 april 2022 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing.

De Belastingdienst heeft vervolgens alsnog op 7 en 16 juni 2022 beslist. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de Belastingdienst in de gelegenheid gesteld te reageren, maar deze heeft niet gereageerd.

De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst te laat heeft beslist, ruim na de wettelijke beslistermijn uit artikel 49, negende lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen. De proceskosten worden vastgesteld op €379,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en een puntwaarde van €759,-. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de Belastingdienst het betaalde griffierecht van €50,- moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van €379,50 aan proceskosten wegens te late beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2353

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft verweerder op 9 februari 2022 in gebreke gesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar verzoek van 2 januari 2020 om herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 10 februari 2022 ontvangen.
Vervolgens heeft verzoekster op 29 april 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder.
In de besluiten van 7 juni 2022 en 16 juni 2022 heeft verweerder alsnog beslist op het verzoek van 2 januari 2022.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Verweerder heeft namelijk pas op 16 juni 2022 volledig beslist op het verzoek van 2 januari 2020. Dit is ruim na de wettelijke beslistermijn uit artikel 49, negende lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht (wegingsfactor 0,5), gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 379,50.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 17 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.