ECLI:NL:RBZWB:2022:6906

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
AWB- 22_2224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuursorgaan tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep WIA-uitkering

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat zij vanaf 10 maart 2021 geen recht had op een WIA-uitkering. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard in een bestreden besluit van 28 maart 2022. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens wijzigde het UWV het besluit op 25 augustus 2022, waarbij verzoekster recht kreeg op een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 10 maart 2021.

Naar aanleiding van deze wijziging trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank beoordeelde dit verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep was tegemoetgekomen en dat de proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase reeds was toegekend. Daarom beperkte de rechtbank haar beoordeling tot de beroepsfase en wees het verzoek toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 759,- voor de door een derde verleende rechtsbijstand. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 50,- door het UWV vergoed moet worden.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 759,-. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 17 november 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 759,- na intrekking van het beroep vanwege een gewijzigd besluit over de WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 20 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder besloten dat verzoekster vanaf 10 maart 2021 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
In het besluit van 28 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 25 augustus 2022 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en in plaats daarvan besloten dat verzoekster vanaf 10 maart 2021 recht heeft op een loongerelateerde uitkering (WGA).
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 17 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.