Eisers maakten bezwaar tegen de vergunning voor het vervangen van een antennemast op een perceel met woonbestemming. Het college handhaafde de vergunning met de voorwaarde dat de mast niet hoger dan 15 meter mocht zijn, terwijl de aangevraagde mast 21 meter hoog was.
De rechtbank oordeelde dat het college de vergunning niet in gewijzigde vorm had mogen verlenen zonder een nieuwe aanvraag, omdat de voorwaarde een wezenlijke aanpassing van het plan betekende. Tevens concludeerde de rechtbank dat de mast niet onder het overgangsrecht viel, omdat deze breder en groter was dan de oorspronkelijke mast en niet voldeed aan het bestemmingsplan.
Verder stelde de rechtbank dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de vergunning niet in stand kon blijven en waarom de mast niet paste in een goede ruimtelijke ordening. Ook werd geoordeeld dat de milieuaspecten en het recht op vrije meningsuiting onvoldoende waren betrokken in de afweging.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alle relevante belangen en motieven betrokken moeten worden. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.