Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
- feit 1: medeplegen van (primair) dan wel medeplichtigheid aan (subsidiair) hennepteelt in vier verschillende woningen;
- feit 2: medeplegen van (primair) dan wel medeplichtigheid aan (subsidiair) diefstal van elektriciteit in vier verschillende woningen;
- feit 3: medeplegen van witwassen;
- feit 4: medeplegen van het gebruik maken van valse geschriften.
3.De voorvragen
gebruik heeft gemaaktvan valse of vervalste documenten. In de één na laatste alinea van de tenlastelegging onder feit 4 staat de volgende feitelijke gedraging vermeld:
“die werkgeversverklaringhebben/heeft getekendmet een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de (fictieve) werkgeveren/of was voorzien vaneen vals(e)/vervalst(e) bedrijfsstempel/bedrijfslogo, ter bevestiging van de juistheid van de op die werkgeversverklaring vermelde gegevens”. Uit deze laatste alinea zou juist blijken dat verdachte de stukken zelf vals heeft opgemaakt. Dit zijn twee verschillende feiten.
4.De beoordeling van het bewijs
- 14 november 2017, [adres 1] in Nijmegen ;
- 6 december 2017, [adres 2] in Breda ;
- 29 januari 2018, [adres 3] in Alteveer ;
- 31 januari 2018, [adres 4] in ’s-Hertogenbosch .
Belastingdienst gegevens van een bedrijf ( [naam bedrijf] ) en/of een naam van een fictieve werknemer ( [verdachte] ) en/of een fictieve loonsom is vermeld en die werkgeversverklaring is getekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de fictieve werkgever en was voorzien van een bedrijfsstempel, ter bevestiging van de juistheid van de op die werkgeversverklaring vermelde gegevens, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als ware die geschriften echt en onvervalst.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de tenlastegelegde feiten onder 1 (primair en subsidiair) en 2 (primair en subsidiair);
feit 4: medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals/vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;