De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 24 november 2022 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplichtigheid aan hennepteelt en medeplegen van witwassen. De dagvaarding voor het witwassen werd nietig verklaard omdat het bedrag niet was gespecificeerd, waardoor verdachte onvoldoende kon worden geïnformeerd over de beschuldigingen.
Ten aanzien van de medeplichtigheid aan hennepteelt oordeelde de rechtbank dat verdachte meerdere huurbetalingen had verricht voor woningen waar hennepkwekerijen waren gevestigd. Hoewel verdachte bewust was van de kans op illegale activiteiten, kon niet worden bewezen dat hij opzet had op het telen van hennep, mede vanwege tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen van een medeverdachte.
De rechtbank concludeerde dat het vereiste opzet op het gronddelict ontbrak en sprak verdachte vrij van medeplichtigheid aan hennepteelt. De dagvaarding werd nietig verklaard voor het witwassen, waardoor ook die tenlastelegging verviel.