Betrokkene is veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt, medeplichtigheid aan diefstal van elektriciteit en medeplegen van het gebruik van valse geschriften. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €46.000, gebaseerd op 23 oogsten en een winst van €2.000 per oogst.
De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid aan wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en procesrechtelijke beginselen, en stelde dat het ontnemingsbedrag moest worden vastgesteld op €22.000 op basis van 11 oogsten in vijf woningen. De rechtbank verwierp deze bezwaren en oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vordering.
De rechtbank schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op €44.000, uitgaande van 22 oogsten in elf panden, en hield rekening met toegewezen vorderingen van benadeelde partijen. Na verrekening van een deel van deze vorderingen stelde de rechtbank het ontnemingsbedrag vast op €19.469,36, dat betrokkene aan de Staat moet betalen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Sr. De rechtbank wees de overige vorderingen van de officier van justitie af en bepaalde de duur van de gijzeling bij niet-betaling op 389 dagen.