Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van het gebruik maken van valse geschriften, waarbij hij woningen heeft kunnen huren die anders niet beschikbaar zouden zijn geweest. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €27.000, gebaseerd op verklaringen dat betrokkene €1.000 per maand per woning ontving.
De verdediging stelde dat het ontnemingsbedrag op €3.000 moest worden vastgesteld, gebaseerd op de verklaring van betrokkene zelf. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van een medeverdachte onbetrouwbaar was en dat de eigen verklaring van betrokkene ter zitting, waarin hij stelde in totaal €3.000 te hebben ontvangen, als uitgangspunt diende.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €3.000 en legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens werd een gijzelingstermijn van 60 dagen bepaald voor het geval van niet-betaling. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen.