Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende parkeerde op 12 juli 2020 een auto op een fiscale parkeerplek in Breda zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag op. Belanghebbende voerde aan dat er sprake was van verboden parkeren en dat hij binnen een redelijke termijn had geprobeerd de parkeerbelasting via een app te voldoen, maar dit niet lukte vanwege slecht bereik.
De rechtbank oordeelt dat het parkeerverbod niet op de plek van parkeren van toepassing was en dat belanghebbende op een plek stond waar parkeerbelasting verschuldigd was. Ook is vastgesteld dat belanghebbende de belasting niet heeft voldaan, terwijl hij daartoe ook de mogelijkheid had via een parkeerautomaat in de nabijheid.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Wel wordt vastgesteld dat de behandeling van het bezwaar en beroep de redelijke termijn van 24 maanden met ongeveer 4 maanden heeft overschreden. Daarom kent de rechtbank een vergoeding van € 500 toe aan belanghebbende voor immateriële schade, die voor rekening komt van de Staat der Nederlanden. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.