ECLI:NL:RBZWB:2022:7081
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een geschakelde twee-onder-één-kapwoning uit 1985 met een inhoud van 359 m3 en een perceel van 316 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €319.000 en legde een aanslag OZB op. Belanghebbende betwist deze waarde en voert aan dat de woning in een zeer slechte staat van onderhoud verkeert, wat onvoldoende is meegenomen.
De heffingsambtenaar bracht een taxatierapport in waarin de woning werd vergeleken met drie vergelijkbare woningen in dezelfde plaats. De taxateur waardeerde de woning op €371.000. De rechtbank oordeelt dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend zijn en dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Hoewel de rechtbank erkent dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden en daarom het griffierecht wordt vergoed, leidt dit niet tot een verlaging van de WOZ-waarde. Zelfs bij een correctie van de onderhoudsfactor naar 'zeer slecht' blijft de waarde van €319.000 verdedigbaar. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €319.000 blijft gehandhaafd.