Uitspraak
1.Het verloop van het geding
2.De verdere beoordeling
NJ1997, 592, [naam 1] HR 7 april 2000,
NJ2001, 32, [naam 2] HR 13 april 2001,
NJ2002, 391, [naam 3] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak vordert eiseres schadevergoeding wegens schade veroorzaakt door de omgewaaide partytent van gedaagde op 11 mei 2020. Eiseres stelt dat de partytent op haar auto is gewaaid en schade aan de voorruit heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft het bewijs van deze schade aan de auto getoetst aan de hand van getuigenverklaringen van eiseres en haar echtgenoot, alsmede van gedaagde en diens zoon.
De rechtbank acht de verklaring van eiseres als partijgetuige van beperkte bewijskracht en concludeert dat de aanvullende verklaring van haar echtgenoot onvoldoende sterk is om de stelling van eiseres te ondersteunen. Bovendien zijn er tegenstrijdigheden in de verklaringen en is er twijfel over de geloofwaardigheid van het bewijs. Daarom wordt de vordering tot vergoeding van de autoschade afgewezen.
Wel is eerder vastgesteld dat de schade aan de paardentrailer van eiseres voldoende is bewezen. De rechtbank wijst daarom een bedrag van € 2.124,- toe voor deze schade, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van € 385,51 toegewezen, omdat voldoende incassowerkzaamheden zijn verricht. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Schadevergoeding voor paardentrailer en incassokosten toegewezen, vordering autoschade afgewezen, proceskosten gecompenseerd.