Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2011. De inspecteur had het verzoek afgewezen omdat het te laat was ingediend, buiten de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende geen beroep had ingesteld tegen de eerdere uitspraak op bezwaar van oktober 2016 en dat het verzoek van januari 2020 inderdaad te laat was ingediend. Belanghebbende gaf aan dat de vertraging werd veroorzaakt doordat hij in gesprek was met de inspecteur, wat leidde tot een vermindering van de aanslag over 2012.
De rechtbank achtte deze toelichting wel geloofwaardig, maar oordeelde dat deze omstandigheden geen verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen. Daarom is het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond verklaard, en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.