ECLI:NL:RBZWB:2022:7215

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
AWB- 22_3448
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 49, negende lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na te late beslissing kinderopvangtoeslag

Verzoekster stelde de Belastingdienst op 3 maart 2022 in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op haar verzoek van 17 december 2020 om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Nadat de Belastingdienst pas op 30 augustus 2022 een besluit nam, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst niet binnen de wettelijke beslistermijn had gehandeld, zoals voorgeschreven in artikel 49, negende lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op €379,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van het geschil en de inzet van een gemachtigde. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de Belastingdienst ook het griffierecht van €50,- moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 29 november 2022.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten van €379,50 wegens het niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/3448

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft verweerder op 3 maart 2022 in gebreke gesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar verzoek van 17 december 2020 om herbeoordeling van haar situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 7 maart 2022 ontvangen.
Vervolgens heeft verzoekster op 11 juli 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder. De rechtbank heeft het beroepschrift op 12 juli 2022 ontvangen.
In het besluit van 30 augustus 2022 heeft verweerder alsnog beslist op het verzoek van 17 december 2020.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Verweerder heeft namelijk pas op 30 augustus 2022 volledig beslist op het verzoek van 2 januari 2020. Dit is ruim na de wettelijke beslistermijn uit artikel 49, negende lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht (wegingsfactor 0,5), gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 379,50.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 29 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.