Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn mate van arbeidsongeschiktheid voor de WIA-uitkering werd vastgesteld. Het primaire besluit kende een uitkering toe bij een arbeidsongeschiktheid van 47,45%, welke na bezwaar werd verhoogd naar 50,24%. De rechtbank heeft het medisch dossier en de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige beoordeeld.
De verzekeringsarts b&b concludeerde dat de beperkingen van eiser, waaronder psychische klachten en medicatiebijwerkingen, adequaat waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 oktober 2021. Eiser stelde zich op het standpunt volledig arbeidsongeschikt te zijn, maar leverde geen aanvullende medische gegevens ter onderbouwing.
De arbeidsdeskundige b&b heeft functies geselecteerd die passend zijn bij de beperkingen van eiser en op basis daarvan een arbeidsongeschiktheid van 57,68% berekend. De rechtbank acht deze functies en de berekening passend en zorgvuldig gemotiveerd. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, is dit gebrek gepasseerd omdat eiser hierdoor niet is benadeeld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten op 29 november 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.