Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze strafzaak rond asbestverontreiniging oordeelt de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte vanwege een ernstige overschrijding van de redelijke termijn van 68 maanden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdediging en betreft een langdurige stilstand van het onderzoek.
De zaak betreft verdenkingen tegen v.o.f. [bedrijf 1] en verdachte omtrent het onrechtmatig omgaan met asbest en acetyleencilinders, waarbij gevaar voor de openbare gezondheid werd veroorzaakt. Na een melding in 2014 en onderzoek door de Inspectie Sociale Zaken volgden diverse getuigenverhoren en zittingen, maar het onderzoek lag drie jaar stil.
De officier van justitie vorderde zelf niet-ontvankelijkheid en kwam met een afdoeningsvoorstel waarbij verdachte afstand deed van bepaalde rechten. De rechtbank stelt vast dat verdachte vrijwillig en bewust met dit voorstel instemt. Gelet op de ernstige overschrijding en de schending van de procesorde verklaart de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.