Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze strafzaak tegen een vennootschap wegens milieuovertredingen met asbest heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De zaak kent een lange procedurele geschiedenis, waarbij het onderzoek startte na een melding in januari 2014 en de eerste zitting pas in februari 2018 plaatsvond. Na een periode van stilstand van drie jaar volgde pas in november 2021 weer een zitting, waarna uiteindelijk in november 2022 het verzoek tot niet-ontvankelijkheid werd ingediend.
De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg 68 maanden, een vertraging die niet aan de verdediging te wijten was maar mede veroorzaakt werd door het stilzitten van het openbaar ministerie. Hoewel de Hoge Raad doorgaans terughoudend is met niet-ontvankelijkverklaringen wegens termijnoverschrijding, oordeelt de rechtbank dat in deze zaak de schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde zodanig ernstig is dat niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd is.
De officier van justitie vorderde zelf de niet-ontvankelijkheid en er was een afdoeningsvoorstel overeengekomen waarbij verdachte vrijwillig afstand deed van verdedigingsrechten. De rechtbank concludeert dat verdachte op basis van voldoende informatie bewust en ondubbelzinnig heeft ingestemd met dit voorstel. Gelet op deze omstandigheden en de ernstige termijnoverschrijding verklaart de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.