Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende een aangifte inkomstenbelasting 2016 in zonder verdeling van negatieve inkomsten uit eigen woning tussen haar en haar partner. De inspecteur legde een voorlopige en definitieve aanslag op waarbij de negatieve inkomsten bij belanghebbende werden gerekend. Op verzoek van de partner werd deze toedeling gewijzigd zodat de negatieve inkomsten bij hem werden meegenomen. De inspecteur legde vervolgens een navorderingsaanslag op aan belanghebbende waarbij de aftrekpost werd teruggenomen.
De rechtbank beoordeelde of de inspecteur bevoegd was tot navordering en of de belastingrente terecht was opgelegd. De rechtbank stelde vast dat inkomsten uit eigen woning gemeenschappelijke inkomensbestanddelen zijn en dat partners in beginsel zelf de verdeling mogen bepalen. Volgens artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet rijksbelastingen kan navordering plaatsvinden zonder dat een nieuw feit is ontstaan, ook als de toedeling aanvankelijk anders was.
Belanghebbende voerde aan dat de belastingrente onterecht was, omdat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat belanghebbende mede debet was aan de situatie doordat zij geen verdeling had opgegeven. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de navorderingsaanslag en belastingrente in stand blijven.
Uitkomst: De navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking blijven in stand; het beroep wordt ongegrond verklaard.