Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, werkzaam als predikant en geestelijk verzorger, kreeg voor 2016 een navorderingsaanslag opgelegd door de inspecteur met correcties op de aftrek van kosten. De inspecteur had aanvankelijk alle kosten gecorrigeerd, maar na bezwaar een deel toegelaten. Belanghebbende stelde dat de inspecteur geen nieuw feit had en dat een hoger bedrag aan kosten aftrekbaar was.
De rechtbank beoordeelde dat de inspecteur wel degelijk beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde, ondanks lopende procedures over eerdere jaren en onderzoek bij de gemachtigde. De inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte tenzij er reden was tot twijfel, wat hier niet het geval was.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende recht had op een aftrek van kosten van € 5.385, hoger dan de door de inspecteur toegestane € 2.779 bij bezwaar. De rechtbank ging in op specifieke kostenposten zoals het lidmaatschap van de Bond van Nederlandse Predikanten, spreekkamer, reiskosten en kantoorkosten, waarbij sommige kosten volledig en andere gedeeltelijk werden toegelaten.
De aanslag werd verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.269. Tevens werd de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende vanwege het gegrond verklaarde beroep.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.269 en de inspecteur moet proceskosten en griffierecht vergoeden.