Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting voor 2019. De heffingsambtenaar had de waarde aanvankelijk vastgesteld op €303.000, die na bezwaar werd verminderd tot €299.000. Het beroep van belanghebbende tegen deze beslissing werd behandeld door de rechtbank.
Tijdens de zitting op 21 juli 2022 was de gemachtigde van belanghebbende aanwezig, maar de heffingsambtenaar verscheen niet. Kort daarna stuurde de heffingsambtenaar een brief waarin werd aangegeven dat men het standpunt van belanghebbende volledig tegemoet zou komen door de WOZ-waarde verder te verlagen naar €279.000. Tevens werd toegezegd dat de proceskosten en het griffierecht zouden worden vergoed.
De gemachtigde van belanghebbende stemde hiermee in, onder voorbehoud van een proceskostenvergoeding van €1.566 inclusief vergoeding voor het verschijnen op de zitting, en een griffierechtvergoeding van €48. De heffingsambtenaar ging hiermee akkoord. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar, en stelde de WOZ-waarde en aanslag definitief vast op basis van het compromis. Daarnaast werden de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende toegewezen.