Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om haar bijstandsuitkering in te trekken vanwege het schenden van de inlichtingenplicht. Het college startte een onderzoek na een anonieme melding dat verzoekster zwart zou werken in het bedrijf van haar partner, wat leidde tot blokkering van de uitkering per 1 augustus 2022 en intrekking per 2 juni 2022.
Verzoekster stelde dat zij niet zwart werkte en dat zij niet in haar levensonderhoud kon voorzien. De voorzieningenrechter toetste het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening en concludeerde dat verzoekster sinds 1 augustus 2022 kon voorzien in haar levensonderhoud met toeslagen, kinderbijslag en kindgebonden budget. Er was geen sprake van acute financiële nood, geen huurachterstand of dreiging van huisuitzetting.
Ook de schulden van verzoekster waren niet nieuw of acuut bedreigend en uit bankafschriften bleek dat verzoekster in oktober 2022 benzine kon tanken en op 25 november 2022 een positief banksaldo had. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen onomkeerbare situatie was en dat verzoekster de bezwaarprocedure kon afwachten.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.