ECLI:NL:RBZWB:2022:7346

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 december 2022
Publicatiedatum
6 december 2022
Zaaknummer
AWB- 22_5092 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6 lid 7 Verordening gemeente Oosterhout
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verlaging pgb-tarief voor begeleiding

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout om het persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding door haar zorgverlener te verlagen van een formeel naar een informeel tarief voor de periode 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om het formele tarief te handhaven zolang het bezwaar nog in behandeling is.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond. Hoewel de zorgverlener de begeleiding niet kan voortzetten tegen het lagere informele tarief, bleek uit de zitting dat de begeleiding nog steeds telefonisch wordt voortgezet zonder betaling. Tevens was niet gebleken dat verzoekster geen alternatieve zorgverlener kan accepteren, mede gelet op haar medische situatie.

Het college had de verlaging gebaseerd op nieuwe kwaliteitseisen voor pgb-zorgverleners, waarbij formele zorgverleners aan aanvullende eisen moeten voldoen, zoals vervanging bij ziekte en diploma's. De zorgverlener van verzoekster voldeed hier niet aan, waardoor het tarief werd aangepast. De voorzieningenrechter concludeerde dat het voor verzoekster niet onevenredig bezwaarlijk is om de beslissing op bezwaar af te wachten en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan op 6 december 2022 door de voorzieningenrechter I.M. Josten en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van het pgb-tarief is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5092 WMO15 VV

uitspraak van 6 december 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. C. van der Ent,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 september 2022 (bestreden besluit) van het college. In dat besluit heeft het college over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023 aan verzoekster maatschappelijke ondersteuning toegekend in de vorm van begeleiding naar een informeel pgb tarief. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 november 2022. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger], kantoorgenoot van haar gemachtigde en door zorgverlener [naam zorgverlener]. Het college is niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster krijgt sinds 2006 individuele begeleiding waarvoor zij van het college een persoonsgebonden budget (pgb) naar een tarief voor een formele zorgverlener ontving.
In de brief van 28 juli 2021 heeft het college verzoekster geïnformeerd over veranderingen omtrent haar pgb. Per 22 juli 2021 gelden een nieuwe Verordening en Uitvoeringsbesluit in de gemeente, waarin aanvullende eisen worden gesteld rondom het pgb. Zo worden er kwaliteitseisen gesteld aan pgb-zorgverleners. In de bijlage bij de brief is toegelicht dat een formele zorgverlener onder meer vervanging moet hebben geregeld bij ziekte of verlof en de benodigde diploma’s moet hebben. Voor verzoekster betekent dit het volgende. Wanneer verzoekster een nieuwe aanvraag doet, moet de zorgverlener direct voldoen aan de kwaliteitseisen. Dit geldt ook als de beschikking voor een pgb verlengd moet worden. Voor zorgverleners met een bestaande zorgovereenkomst gaat het anders. De gemeente gaat in de loop van 2021 controleren of de pgb zorgverlener voldoet aan de nieuwe eisen. Als blijkt dat de zorgverlener niet voldoet, zal de gemeente altijd eerst bespreken wat er nodig is. Misschien voldoet de zorgverlener na een aanpassing wel aan de gestelde eisen. Als de formele zorgverlener niet kan voldoen aan de gestelde eisen, dan kan deze aangemerkt worden als een informele zorgverlener. Dit heeft dan wel gevolgen voor de hoogte van het pgb.
Op 8 oktober 2021 heeft verzoekster verzocht om verlenging van haar pgb voor begeleiding door [naam zorgverlener].
In het besluit van 12 oktober 2021 heeft het college aan verzoekster over de periode van
1 oktober 2021 tot en met 30 september 2022 Begeleiding Midden toegekend naar het tarief voor een formele zorgverlener.
In een brief van 21 juni 2022 is verzoekster geïnformeerd dat haar indicatie zoals toegekend bij besluit van 12 oktober 2021 ‘blijft zoals hij was’, maar dat het bijbehorende pgb per 1 oktober 2022 wordt bijgesteld van een formeel naar een informeel tarief. Dit omdat zorgverlener [naam zorgverlener] niet voldoet aan de voorwaarden voor een formele zorgverlener (de kwaliteitseisen) zoals neergelegd in artikel 6, zevende lid, van de Verordening.
Tegen deze brief heeft verzoekster bezwaar gemaakt en hangende dat bezwaar ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek bij uitspraak van 19 oktober 2022 afgewezen.
Op 12 september 2022 heeft verzoekster een aanvraag tot verlenging van de indicatie ingediend.
In het bestreden besluit heeft het college de indicatie voor Begeleiding Midden verlengd voor de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023, zij het tegen een informeel pgb tarief.
2. Verzoekster is het niet eens met de beslissing van het college om het pgb-tarief voor zorgverlener [naam zorgverlener] aan te passen van formeel naar informeel. Zij heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat aan haar een pgb-tarief voor een formele zorgverlener wordt toegekend hangende de beslissing op bezwaar.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Verzoekster heeft in het kader van het spoedeisend belang aangevoerd dat [naam zorgverlener] genoodzaakt zal zijn de begeleiding stop te zetten als het besluit gehandhaafd wordt. [naam zorgverlener] kan de begeleiding niet bieden tegen het informele tarief. Er zijn voor verzoekster geen alternatieven en gezien de (medische) situatie kan van verzoekster niet worden gevergd dat zij een andere zorgverlener zoekt. De gevolgen van het bestreden besluit zijn onevenredig bezwarend voor verzoekster.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster het spoedeisend belang niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster door het bestreden besluit niet van zorg verstoken is geraakt. Ter zitting is gebleken dat [naam zorgverlener] nog altijd begeleiding verleent, zij het telefonisch, zonder daarvoor betaling te ontvangen. Niet is gebleken dat deze situatie niet zou kunnen worden gecontinueerd tot aan de beslissing op bezwaar. Dat verzoekster gelet op haar medische situatie zou zijn aangewezen op begeleiding van niemand anders dan [naam zorgverlener], volgt de voorzieningenrechter niet. Noch uit de beschikbare stukken, noch uit het verhandelde ter zitting kan de voorzieningenrechter afleiden dat van verzoekster niet kan worden gevergd dat zij (tijdelijk) zorg van een andere zorgverlener afneemt. Integendeel. Ter zitting is door [naam zorgverlener] verklaard dat verzoekster over de periode van 2006 tot 2014 zorg ontving van een andere zorgverlener dan [naam zorgverlener]. Ook overigens is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het voor verzoekster onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing op bezwaar te moeten afwachten.
6. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 6 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.