De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige. De OTS was sinds 2018 van kracht en werd telkens verlengd, maar de GI gaf onvoldoende uitvoering aan haar taak, onder meer door het ontbreken van een vaste jeugdzorgwerker. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en de minderjarige woont bij haar.
Tijdens de mondelinge behandeling kwamen de standpunten van de GI, de ouders en de Raad voor de Kinderbescherming aan bod. De GI handhaafde het verzoek vanwege communicatieproblemen tussen de ouders en het stilvallen van het omgangstraject tussen vader en kind door een terugval in drugsgebruik van de vader. De moeder en de Raad waren van mening dat de verlenging niet gerechtvaardigd was, mede omdat de GI haar taak onvoldoende had uitgevoerd en de ouders openstonden voor hulpverlening in het vrijwillige kader.
De kinderrechter constateerde dat feitelijk nauwelijks uitvoering werd gegeven aan de OTS en dat de GI bewust had gekozen geen vaste jeugdzorgwerker aan te stellen, wat onaanvaardbaar werd geacht. Hoewel de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd door het ontbreken van omgang met de vader, is er geen taak meer voor de GI nu de ouders vrijwillige hulp accepteren en de betrokken zorginstelling de ondersteuning voortzet.
Daarom wees de rechtbank het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de OTS af, waardoor de ondertoezichtstelling per 3 december 2022 eindigt. De beslissing werd mondeling gegeven op 23 november 2022 en schriftelijk vastgesteld op 8 december 2022.